homeSeks als je chronisch ziek bent
Tijdschrift voor praktijkondersteuning 2010, nummer 4:112-116
Een chronische ziekte heeft vaak invloed op het seksleven. Omdat de praktijkondersteuner chronisch zieken zo regelmatig ziet, is zij mogelijk de aangewezen persoon om ook naar dat aspect van ziekte te informeren en zo nodig hulp te bieden. Informeer je op eigen initiatief hiernaar als praktijkondersteuner? Kunnen patiënten bij jou terecht met hun vragen en zorgen? Heb je zelf genoeg kennis? In een kleine serie artikelen gaat het Tijdschrift voor praktijkondersteuning in op een aantal aspecten van seksualiteit bij patiënten met een chronische ziekte. In de eerste aflevering ging het over praten over seks en seksualiteit. Deze keer gaat het over de seksuologische basiskennis die je nodig hebt om de patiënt hulp te kunnen bieden, en bieden we algemene tips voor de patiënt met een seksuologisch probleem. In volgende nummers besteden we aandacht aan een aantal chronische ziekten met hun specifieke problemen op het gebied van seks, en bieden we de praktijkondersteuner handvatten om seksuologische problematiek aan te pakken. Ook geven we inzicht in de werkwijze van de seksuoloog.
Om met een patiënt te kunnen praten over seksualiteit en seksuele problematiek is basiskennis belangrijk. We bespreken eerst de beleving van seksualiteit en de seksuele responscyclus. Daarna reiken we het biopsychosociaal model aan als houvast om een gesprek over seksualiteit aan te gaan. Voor de praktijkondersteuner die zelf aan de slag wil gaan, volgt de seksuologische anamnese. Tot slot een aantal algemene tips die het seksleven van een patiënt kunnen verbeteren.
Mensen kunnen aan seks doen om allerlei redenen, zoals lust, plezier, of genot. Dat kan in je eentje of samen. Seks versterkt de intimiteit met een partner. Het kan een bevestiging zijn van het man-zijn of vrouw-zijn, de eigenwaarde versterken en leiden tot een positieve lichaamsbeleving. Het kan voor ontspanning of voor troost zorgen, enzovoort. Ieder mens beleeft seksualiteit op zijn eigen manier. De waarde en betekenis van seks kunnen per levensfase anders zijn. Ook tussen mannen en vrouwen kunnen er verschillen zijn in seksbeleving. Vrouwen hechten soms meer belang aan de intimiteit van de relatie en mannen kunnen de seks belangrijker vinden. Ook kan met het ouder worden de waardering van seks veranderen. Overigens is het niet vanzelfsprekend dat patiënten met chronische ziekten ook problemen hebben met de seks. Een probleem is pas een probleem als de patiënt dit zo ervaart.
De beleving van seks is verschillend, maar fysiologisch gezien is er een duidelijk patroon herkenbaar. Uitgebreid onderzoek door Masters en Johnson toont dat aan. Zij beschreven het seksueel functioneren van de mens in de zogenaamde seksuele responscyclus, zie figuur 1. Dit model beschrijft in een aantal fasen het fysiologische proces dat uiteindelijk leidt tot een orgasme. Het gaat hier om de volgende fasen:
Het is belangrijk om dit model in je achterhoofd te hebben als patiënten problemen hebben met seksualiteit. Het helpt je bij het doorgronden in welke fase(n) het probleem speelt. Houd wel in je achterhoofd dat biologische aspecten van de ziekte niet automatisch de oorzaak zijn van het probleem. Met de seksuele responscyclus als uitgangspunt kan de praktijkondersteuner patiënten tegenkomen met de volgende problemen:
De seksuele responscyclus is een beperkt model, alleen gericht op de fysiologie. Om de vragen van patiënten rond seksuele problematiek goed te kunnen plaatsen, is het belangrijk om deze in een breder kader te plaatsen. Hiervoor gebruiken seksuologen het biopsychosociaal model. Niks nieuws voor de praktijkondersteuner. Bij de ‘gewone’ begeleiding van patiënten betrek je immers ook biologische, psychologische en sociale factoren: bijvoorbeeld of de medicatie bij een diabeet moet worden aangepast tijdens de nachtdiensten. Het biopsychosociaal model vormt naast de seksuele responscyclus de basis voor de seksuologische anamnese.
Patiënten die last hebben van moeheid, pijn, incontinentie, stijfheid, een slechte conditie, benauwdheid of spasmes, ervaren fikse belemmeringen bij seks. Naast deze algemene factoren kunnen we ook neurologische, vasculaire en hormonale problemen onderscheiden. Denk bijvoorbeeld bij vasculaire oorzaken aan patiënten met een verminderde doorbloeding van de geslachtsdelen, bijvoorbeeld als gevolg van diabetes of hypertensie. Hierdoor kan er ook sprake zijn van een verminderde erectie of het verminderd nat worden van de vagina. Patiënten met neurologische uitval kunnen een gestoord lichaamsbesef hebben. Ook kunnen bijwerkingen van medicijnen zorgen voor problemen.
Ziekte heeft vaak invloed op hoe patiënten hun lichaam beleven. Een astmatische patiënt die zichzelf meer hoort piepen bij opwinding, kan onzeker worden tegenover de partner. Een patiënt met lichamelijke gevolgen na een CVA voelt zich niet dezelfde. Daarnaast kan de ziekte gevolgen hebben voor het algemeen functioneren van de patiënt en kunnen bijvoorbeeld rollen in het leven veranderen. Ben ik nog wel de stevige moeder, harde werker of enthousiaste vrijer? Die onzekerheid kan de seksuele relatie veranderen. Verlies, rouw, acceptatieproblemen, verdriet en boosheid over de ziekte kunnen meespelen. Bij patiënten met een chronische ziekte komt meer psychische problematiek voor, bijvoorbeeld depressie. Eén van de basiskenmerken van depressie is dat mensen nergens meer plezier aan beleven en somber zijn: een depressieve patiënt heeft vaak geen zin meer in seks.
Een seksuele relatie heb je met zijn tweeën. Het hangt van de onderlinge relatie af of een paar de seksualiteit bij ziekte opnieuw vorm kan geven. Als een stel een vrij traditionele relatie heeft waarbij de man altijd de leidende partij is en dit is om fysieke redenen niet meer mogelijk, kan dat het einde van de seks betekenen. Dit kan bijvoorbeeld optreden als de man geopereerd is aan prostaatkanker en zijn penis niet meer stijf kan worden. Als het paar van rol kan wisselen, zijn nieuwe vormen mogelijk. Een patiënt vertelt bijvoorbeeld: ‘We doen het nu heel anders dan vroeger. Ik heb nog nooit zoveel aandacht voor mijn vrouw gehad.’
Zoals we in de vorige aflevering bespraken, is het misschien niet gemakkelijk om over seks te praten, maar patiënten waarderen het erg. Welke vragen stel je? In tabel 1 zie je de ‘seksuologische anamnese’ met de structuur volgens het biopsychosociaal model. Je herkent hierin het schema van je ‘gewone’ gespreksvoering met de patiënt: eerst verhelder je de vraag en de beleving van de patiënt. Daarna richt je de vragen op de seksuele responscyclus, gevolgd door meer specifieke vragen gericht op de mannelijke of vrouwelijke patiënt. Tot slot is er aandacht voor een aantal belangrijke algemene zaken. Niet iedere praktijkondersteuner zal alle vragen kunnen en willen stellen. Ze zijn ook niet voor elke patiënt allemaal even belangrijk.
Hoe ver ga je als praktijkondersteuner met deze anamnese? Die vraag kunnen wij niet voor je beantwoorden. Het antwoord hangt onder meer af van de affiniteit die je met het onderwerp hebt en hoe deskundig je jezelf erin voelt. Wanneer het lastig is, kun je de patiënt altijd voorstellen om het onderwerp verder met de huisarts te bespreken. Tabel 2 toont een aantal algemene tips die een positieve invloed kunnen hebben op een seksuele relatie. Mogelijk kun je die al gebruiken tijdens het gesprek met de patiënt. Bij een uitgebreider probleem of een vraag om medicatie verwijs je naar de huisarts. Positief voor de patiënt is dat het probleem al door jou ter sprake is gekomen. De patiënt zal je er dankbaar om zijn!
Zoek binnen: Uitgebreid zoeken